Karin van der Toorn geeft les aan Ethiopische zuivelcoöperaties

„Want ook daar gaat het om een sterkere coöperatie met meer binding en service aan de leden en om een verbetering en verhoging van een duurzame melkproductie. In die week stonden de drie F’s centraal: Farmer-led, Financially Sustainable en Future-proof. Oftewel in eigendom van én geleid door de boeren zelf, financieel gezond en rendabel en toekomstbestendig,” vertelt Van der Toorn, wonend op een boerderij met koeien en varkens op de Elshof (gemeente Olst-Wijhe). Als zelfstandig adviseur met veel kennis van de melkveehouderij in Nederland is ze al vaker door Agriterra uitgezonden naar landen als Kenia, Vietnam, Indonesië en Thailand.
Aan de slag met de toekomst
De filosofie van Agriterra, ooit vanuit de Nederlandse zuivelsector opgezet en inmiddels gesteund door de rijksoverheid is helder; versterk in deze landen de boerenorganisaties. Dat is goed voor de boeren zelf en voor de voedselproductie en daarmee ook voor de voedselzekerheid. „Want de landbouw in Ethiopië loopt nog tientallen jaren achter. Ik heb ze foto’s van de melkrobot op ons bedrijf op de Elshof laten zien en dat vinden ze echt fantastisch. Ik laat trouwens ook foto’s zien van hoe wij het hier 50 of 60 jaar geleden boerden en hoe dat daarna allemaal ontwikkeld is", vertelt Van der Toorn.
„In al die landen die ik heb bezocht, ook nu weer in Ethiopië, heeft de Nederlandse melkveehouderij een geweldig goede naam. Op het vliegveld daar hoef je maar ‘Nederland’ te zeggen en dan is het meteen ‘milk, milk’. Eigenlijk is het best wrang dat er dan in ons eigen land zoveel kritiek is op onze sector. Als ik dat daar vertel wil niemand dat ook geloven", gaat Van der Toorn verder. „Tijdens zo’n krijg je te maken met heel gemotiveerde boeren, bestuurders en werknemers van een coöperatie. Elke coöperatie heeft zo’n 1.000 boerenleden die gemiddeld 2 koeien hebben. Dat zijn vaak kruisingen van Holsteins en lokale veerassen. Er is een jaarproductie van rond de 5.000 liter melk per koe, voor onze begrippen laag. In die week moeten ze een SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden) werkplan opstellen. Ik laat bijvoorbeeld voorbeelden zien van grote (zoals FrieslandCampina) en kleinere zuivelcoöperaties uit Nederland. Elke dag worden ze aan het werk gezet om hun eigen plan verder vorm te geven. Uitwerking en aandachtspunten worden op grote flipovers opgeschreven.”
Geen leveringsplicht
„Een probleem waar ze daar tegenaan lopen is dat sommige leden hun melk buiten de coöperatie om verkopen aan illegale handelaren. Een leveringsplicht zoals hier kennen ze daar niet echt, dat is dan een mooi voorbeeld wat je aan kan dragen. Hoe kun je de binding van de leden met de eigen coöperatie verbeteren is dus een belangrijk punt. Zo zijn er meer. Hoe vergroot je de productie op een duurzame manier en zorg je voor kwaliteitsmelk? Hoe ga je om met andere partijen, bijvoorbeeld bij de verkoop van de melk en welke prioriteiten stel je dan? Want een goede melkprijs is belangrijk. De boeren daar kunnen ook geen beroep doen op de bedrijven zoals wij die hier hebben. Ze kunnen niet even een voerleverancier bellen, of de KI. Ze hebben daarom moeite om goed sperma te krijgen voor hun fokprogramma’s", legt Van der Toorn uit. „De Ethiopische overheid zelf ziet het belang van een goede veehouderij in en zet daarom voorlichters in. Maar dat gaat niet altijd even goed. Het punt is dat er weinig of geen eisen aan die voorlichters worden gesteld. Neem ter vergelijking de buitendienst van FrieslandCampina hier. Die moeten aan allerlei kwaliteitseisen voldoen. En aan de boeren hier wordt geregeld gevraagd of die buitendienst het goed doet. Daar dus niet. Een van de plannen die week was daarom om als coöperatie zelf voorlichters in dienst te gaan nemen. Maar daar moet geld voor zijn. Het is wel zo dat veehouders met hun twee koeien redelijk goed kunnen rondkomen. De kosten van levensonderhoud zijn er natuurlijk een heel stuk lager.”
70 jaar achter
Het werk voor Agriterra gebeurt op vrijwillige basis, alleen de onkosten worden vergoed. Toch kan de organisatie komende jaren zeker een nieuw beroep doen op Karin. „Soms zeggen boeren hier gekscherend tegen mij; je moet ze daar niet alles leren want dan worden het straks onze concurrenten. Ik geloof dat niet. Ze lopen nu nog echt 70 jaar achter op ons. Maar er is zeker potentie in Ethiopië. Er is veel vruchtbaar land, dat had ik niet meteen verwacht. Door twee regenseizoenen per jaar kunnen ze op sommige plekken twee keer per jaar mais laten groeien. Dat kunnen wij niet", besluit van der Toorn.
Tekst: Lauk Bouhuijzen
Beeld: Karin van der Toorn







