Tien jaar VK-Oost: lagere emissies bij hogere melkproductie

Van de 200 melkveehouders binnen VK-Oost die van 2017 tot 2024 onafgebroken werden gevolgd, boert 20 procent op kleigrond en 80 procent op zandgrond. In die periode groeiden de bedrijven gemiddeld in omvang, met meer grasland en iets minder maisland, terwijl het aantal koeien toenam en de melkproductie per bedrijf met ruim 100.000 kilo steeg.
Tegelijk werden de bedrijven iets extensiever en bleef de productie per koe vrijwel stabiel. Ook weidegang nam over de jaren toe, al was in 2024 een lichte terugval zichtbaar door het natte seizoen en mogelijk ook door derogatie en prikkels vanuit Foqus planet (zie ook kader onderaan met alle cijfers).
Bodemvruchtbaarheid stabiel goed
Die ontwikkeling vormt de basis voor een belangrijk thema binnen VK-Oost: het sturen op bodemvruchtbaarheid en benutting van nutriënten. Het organische stofgehalte bij de leden is volgens het rapport gemiddeld prima op peil en ontwikkelt zich zeker niet negatief.
Het gemiddelde organische stofpercentage op zandgrond bedraagt ongeveer 5 procent en is door de jaren nagenoeg stabiel. Veel hoger lukt om de meeste gronden niet, omdat dan de opbouw en afbraak van organische stof in balans zijn. Op bouwland is het os-gehalte met ongeveer 4,5 doorgaans wat lager dan op grasland (5,5 procent).
De pH van de percelen van VK-Oost leden steeg sinds 2014 licht en bevindt zich gemiddeld op het gewenste streefniveau van ruim 5,5.
Fosfaatoverschot daalt licht
De fosfaatoverschotten op de VK-Oostbedrijven vormen milieukundig geen probleem meer. In de droge jaren 2018 en 2022 is nog een positief fosfaatoverschot te zien, maar in de andere jaren is het overschot steeds licht tot sterk negatief.
De afname van de fosfaatbeschikbaarheid is wel zorgelijk. Van de hoeveelheid fosfaat die in de bodem aanwezig is, komt elk jaar minder beschikbaar voor de gewasgroei. Het kan dus zijn dat een bodem veel fosfaat bevat maar toch weinig beschikbaar fosfaat bevat. Perceelsgerichte bemesting, ofwel de fosfaatgift aan laten sluiten op de fosfaattoestand van het perceel, is hierbij van belang.
Ook de P-gehalten in de graskuilen geven een waarschuwingssignaal. Die gehalten lijken de afgelopen tien jaar een licht dalende trend te laten zien, maar zijn het laatste jaar weer gestegen.
Wanneer de omstandigheden voor de gewasgroei goed zijn, is meestal ook het P-gehalte in het geoogste gras hoger. De cijfers van VK-Oost tonen aan dat een laag P-gehalte in gras wordt gecompenseerd met P-aanvoer met krachtvoer. Dit brengt extra kosten met zich mee.
Stikstofleverend vermogen net boven 100 kilogram per hectare
Het stikstofleverend vermogen, een maat voor de hoeveelheid stikstof die een bodem kan leveren uit de afbraak van bodemorganische stof, laat zowel voor grasland als bouwland een stijgende trend zien. Dat betekent dat de bodemvruchtbaarheid van de percelen gemiddeld goed op orde is.
Het gemiddelde stikstofbodemoverschot van alle VK-Oost leden ligt net iets boven de 100 kg N per hectare, maar de verschillen tussen jaren groot zijn. Een nat of een droog jaar heeft een groot effect op de gewasopbrengsten en daarmee op de stikstofbenutting en op het stikstofoverschot.
Droge jaren als 2018 en 2022 pakken wat dit betreft slechter uit dan nattere jaren, vanwege achterblijvende gewasproductie. Over de hele tijdreeks van acht jaar lijkt het stikstofbodemoverschot een licht dalende trend te vertonen.
Het stikstofbodemoverschot op kleigrond is hoger dan die op zandgrond. Dat heeft voornamelijk met de hogere toegestane bemestingsnormen op kleigrond te maken, omdat verondersteld wordt dat deze bodemsoort hogere opbrengsten oplevert.
VK-Oost scoort uitstekend op stikstofbodemoverschot
De gegevens van VK-Oost laten zien dat de stikstofbodemoverschotten op grasland hoger zijn dan op maisland. Dat hangt deels samen met de hogere stikstofbemesting op grasland. Het hogere bodemoverschot op grasland wil niet zeggen dat de nitraatuitspoeling ook hoger is dan op maïsland. Grasland houdt in haar organische stof meer stikstof vast.
De resultaten van VK-Oost-leden werden vergeleken met verschillende normen en voorbeeldbedrijven, zoals het Foqus planet-systeem van FrieslandCampina en met Agro-innovatiecentrum De Marke en het project Koeien&Kansen. FrieslandCampina hanteert een bandbreedte voor stikstofbodemoverschot van 160 kg N/ha (geen vergoeding) tot 20 kg N/ha (maximale bonus), maar die strengste norm wordt vrijwel nooit gehaald door VK-Oost-bedrijven.
De Marke en Koeien&Kansen laten hogere gemiddelde overschotten zien, respectievelijk 145 en 206 kg N/ha. Volgens de doelen van het Markemodel is vooral bij bedrijven op zandgrond vooruitgang geboekt: steeds meer zandbedrijven behalen daar de maximale score, terwijl kleibedrijven weinig problemen lijken te hebben met deze KPI.
Mogelijkheden om stikstofbodemoverschot te verbeteren
Het project vergeleek ook de toelaatbare stikstofbodemoverschotten. De hoogte ervan is afhankelijk van het risico op de uitspoeling van stikstof naar het grondwater en daarmee afhankelijk van de grondsoort en het areaal grasland en bouwland.
De gegevens laten zien dat in de groeizame jaren 2017, 2021, 2023 en 2024 meer dan 90 procent van de bedrijven voldoet aan de norm. Deze bedrijven hebben een gemiddeld hogere opbrengst, een lagere stikstofbemesting, een iets betere bodemvruchtbaarheid en benutten bij de maïsteelt de stikstof uit het voorgewas en groenbemester veel beter.
Het probleem zijn de droge jaren 2018 en 2022 en in mindere mate 2020. De in die jaren tegenvallende gewasproductie betekent dat er ook minder stikstof wordt opgenomen en er dus meer in de bodem achterblijft en kan uitspoelen.
In die jaren voldoet ongeveer 70 procent van de bedrijven aan de norm. Met enkele aanpassingen of aanscherpingen in het management kunnen ook de bedrijven die net niet aan de norm voldoen deze halen. Gedacht moet dan worden aan verlaging van de kunstmest-input door inzaai van klaver en kruiden, perceelsgericht bemesten en verbetering van de groeiomstandigheden voor de gewassen.
Uitspoelingsrisico’s verschillen sterk per grondsoort
Recent onderzoek wijst erop dat het stikstofresidu (N-min) in de bodemlaag 0-90 cm na het groeiseizoen een betere indicator is voor nitraatuitspoeling dan het stikstofbodemoverschot. Dit residu, bestaande uit nitraat- en ammoniumstikstof, laat goed zien hoe het bodembeheer en de bemesting uitpakken.
Met name onder maisland blijkt het stikstofresidu veel hoger dan onder grasland, omdat mais slechts een korte periode stikstof opneemt en bemesting vaak in één keer wordt toegediend.
De uitspoelingsrisico’s verschillen sterk per grondsoort: op lichte zandgrond gelden lagere toelaatbare drempels dan op klei, terwijl grasland doorgaans minder problemen geeft dan mais. Data van VK-Oost tonen dat ‘schone’ maisteelt mogelijk is, maar dat vraagt om maatregelen zoals perceelsgerichte bemesting, geen drijfmest na gescheurd grasland en een goede groenbemester.
Over het geheel genomen voldoen de meeste deelnemers in normale jaren aan de EU-nitraatnorm, maar een groep overschrijdt structureel de normen en zal ingrijpender moeten bijsturen.
Gemiddeld ammoniakemissie daalde 10 procent
De ammoniakemissie uit de melkveehouderij staat al jaren in de belangstelling, mede door de stikstofproblematiek, zo staat in het rapport te lezen. Voor bedrijven is emissiereductie niet alleen maatschappelijk relevant, maar ook bedrijfseconomisch: ammoniak betekent verlies van stikstof uit de kringloop.
Bij VK-Oost is de gemiddelde emissie sinds 2017 met circa 10 procent gedaald, van ongeveer 57 naar 52 kg NH₃ per hectare, ondanks een stijgende melkproductie. Slechts een klein deel van de bedrijven voldoet aan de strenge Foqus planet-norm (35 kg/ha), maar steeds meer bedrijven halen het einddoel van 47 kg/ha uit het Markemodel.
De verschillen tussen bedrijven zijn aanzienlijk. De 25 procent met de laagste emissie stoot circa 20 procent minder ammoniak uit dan de 25 procent met de hoogste emissie. Deze bedrijven kenmerken zich door een lager ruw eiwitgehalte in het rantsoen, lagere stikstofexcretie per koe, meer weidegang en een lagere intensiteit.
Ook binnen eenzelfde intensiteitsgroep blijken rantsoensamenstelling en weidegang doorslaggevend. De belangrijkste aangrijpingspunten voor verdere reductie liggen in verlaging van het ruw eiwitgehalte, optimalisatie van bemesting en ruwvoerkwaliteit, uitbreiding van weidegang en inzet van emissiearme stal- en aanwendingstechnieken.
Minder broeikasgasemissie
De broeikasgasemissie (carbon footprint) van melkveebedrijven krijgt vooral via de markt aandacht, doordat zuivelondernemingen steeds strengere eisen stellen aan klimaatprestaties. De carbon footprint omvat alle directe en indirecte emissies van CO₂, methaan en lachgas per kilo geleverde melk, inclusief emissies uit aangekochte inputs zoals krachtvoer en kunstmest.
Binnen VK-Oost is sinds 2017 een dalende trend zichtbaar: de gemiddelde carbon footprint daalde van 860 naar 790 gram CO₂-equivalent per kg melk in 2024. Daarmee voldoet 83 procent van de deelnemers aan de streefwaarde van Het Markemodel voor 2024, maar het Foqus planet-doel van 725 gram wordt nog niet gehaald.
De verschillen tussen bedrijven zijn groot. De 25 procent bedrijven met de laagste carbon footprint scoren vooral beter door een hogere melkproductie per koe en per hectare, minder krachtvoergebruik per 100 kg melk en minder jongvee. Binnen eenzelfde intensiteitsgroep blijkt intensiteit niet doorslaggevend: vooral voerefficiëntie bepaalt het verschil, doordat efficiëntere koeien minder methaan uitstoten en voer beter omzetten in melk.
De kennisgroep Melk&Klimaat van VK-Oost bevestigt dat de voerstrategie de belangrijkste sleutel is voor verdere reductie. Maatregelen als beter ruwvoer van eigen land, minder krachtvoer, minder jongvee en lagere kunstmestgift bieden op vrijwel alle bedrijven mogelijkheden om de carbon footprint verder te verlagen.
De ontwikkeling van de 200 bedrijven
Uit de gegevens van VK-Oost valt op te maken dat de gemiddelde oppervlakte van de 200 leden toenam van 58,4 hectare in 2017 tot 66 hectare in 2025, een groei van bijna 8 hectare. De oppervlakte grasland groeide van 47,4 hectare tot 54,5 hectare, terwijl de oppervlakte maisland juist afnam van 9,9 tot 9 hectare.
Het gemiddelde aantal koeien nam ook toe; van 117 in 2017 tot 127 in 2024. Toch werden melkveebedrijven extensiever; van 19.534 kilogram melk per hectare naar 18.852 kilogram melk. Desondanks steeg de melkproductie per bedrijf met ruim 100.000 kilogram melk per jaar van 1,12 miljoen kilogram tot 1,23 miljoen.
De gemiddelde productie per koe steeg niet noemenswaardig en bedraagt ongeveer 9.600 kilogram melk per koe per jaar. Ook het eiwitgehalte schommelt al jaren stabiel rond de 3,58 procent. Het vetpercentage steeg daarentegen van 4,43 procent naar 4,63 procent.
De melkveebedrijven pasten ook meer weidegang toe. Aan de andere kant nam ook het aandeel bedrijven toe met 28 procent dat zomerstalvoedering toepast. Het aantal uren weidegang steeg met 155 uur evenals het aantal bedrijven dat de koeien minimaal 720 uur liet weiden. Opvallend is dat juist in 2024 weidegang iets afnam. Volgens VK-Oost is dat voor een belangrijk deel te wijten aan het extreem natte weideseizoen. Daarnaast speelde derogatie mogelijk een rol omdat melkveehouders verplicht werden mest af te zetten. Ook de beloning in Foqus planet van FrieslandCampina kan een rol gespeeld hebben in de afname van weidegang en toename van stalvoeren.



