Het stikstofdossier als juridische paradox: wanneer het recht zijn eigen doel voorbijschiet

Het uitstel tot 2028 bevestigt dat het systeem er niet in slaagt om daadwerkelijke legaliteit te realiseren. Wat resteert is een constructie waarin de rechtspositie van betrokkenen niet wordt hersteld, maar wordt vooruitgeschoven. Daarmee ontstaat een situatie waarin de rechtsstaat formeel functioneert, maar materieel tekortschiet.
De vraag die zich dan opdringt is niet langer hoe dit probleem binnen het bestaande kader kan worden opgelost, maar of dat kader zelf nog wel geschikt is voor het probleem dat het pretendeert te reguleren.
De verkeerde benadering: een systeemprobleem als projectprobleem
Het stikstofbeleid is in essentie gebaseerd op artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Deze bepaling vereist dat voor elk individueel project met zekerheid wordt uitgesloten dat significante gevolgen optreden voor Natura 2000-gebieden. Deze systematiek veronderstelt dat effecten afzonderlijk en toerekenbaar kunnen worden vastgesteld.
De stikstofproblematiek voldoet echter niet aan deze veronderstelling. Zij is geen optelsom van individuele bijdragen, maar een systeemfenomeen waarin achtergronddepositie, cumulatieve belasting en grensoverschrijdende invloeden bepalend zijn. Door deze werkelijkheid toch te reduceren tot afzonderlijke projecten ontstaat een structurele mismatch tussen probleem en toetsingskader.
Die mismatch is fundamenteel van aard. Nederland probeert een systeemprobleem op te lossen binnen een toetsingskader dat alleen werkt voor individuele projecten waarbij zekerheid kan worden verkregen. Dat is een benadering die noodzakelijkerwijs faalt, omdat de vereiste zekerheid in een systeemcontext per definitie niet kan worden bereikt.
Artikel 6, lid 2: de genegeerde kern van de richtlijn
Juist tegen deze achtergrond verdient artikel 6, lid 2, van de Habitatrichtlijn bijzondere aandacht. Deze bepaling verplicht lidstaten om verslechtering van Natura 2000-gebieden te voorkomen. Het betreft geen projecttoets, maar een doorlopende verplichting tot bescherming op systeemniveau. De focus ligt niet op afzonderlijke bijdragen, maar op het geheel van factoren die de staat van de natuur bepalen.
Daarmee adresseert lid 2 precies de aard van het stikstofprobleem. Het is de bepaling die ruimte biedt voor structurele maatregelen, generiek beleid en bronreductie. Toch wordt deze bepaling in de praktijk naar de achtergrond gedrukt. In plaats van te sturen op systeemreductie, wordt vrijwel uitsluitend gestuurd op individuele projecttoetsing onder artikel 6, lid 3.
Deze verschuiving heeft verstrekkende gevolgen. Achtergronddepositie, die in wezen onder de reikwijdte van lid 2 valt, wordt impliciet toegerekend aan individuele projecten. Die projecten moeten vervolgens voldoen aan een absoluut zekerheidsvereiste dat niet aansluit bij de aard van het probleem. Daarmee wordt een systeemverplichting omgezet in een projectblokkade.
De bevestiging vanuit beleidsanalyse
Dat deze benadering niet werkt, wordt niet alleen zichtbaar in de praktijk, maar wordt ook bevestigd in beleidsanalyses. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft in zijn reflecties op de energietransitie en stikstofproblematiek benadrukt dat structurele emissiereductie noodzakelijk is om daadwerkelijk vooruitgang te boeken. Daarmee wordt impliciet erkend dat het probleem niet primair ligt op het niveau van individuele projecten, maar op het niveau van het systeem als geheel.
Deze constatering staat op gespannen voet met een beleid dat vrijwel volledig leunt op projectmatige toetsing. Waar de analyse wijst op de noodzaak van systeemmaatregelen, blijft de juridische praktijk gevangen in een kader dat juist die maatregelen belemmert. Dat is geen technische tekortkoming, maar een fundamentele inconsistentie tussen analyse en toepassing.
De opmerkelijke uitzondering: energie-infrastructuur en netcongestie
Tegen deze achtergrond is het opvallend dat voor energie-infrastructuur en netcongestie wel een andere benadering wordt gekozen. Uit onderzoek in opdracht van de overheid blijkt dat expliciet wordt ingezet op een programmatische toepassing van de ADC-toets, juist omdat tijdelijke stikstofdepositie anders leidt tot blokkade van projecten die noodzakelijk zijn voor verduurzaming en energiezekerheid.
Daarmee wordt impliciet erkend dat het kader van artikel 6, derde lid, onvoldoende ruimte biedt voor projecten die onderdeel zijn van een bredere systeemtransitie. De ADC-toets wordt ingezet om tijdelijke nadelen af te wegen tegen structurele voordelen, en om projecten mogelijk te maken die per saldo bijdragen aan de doelstellingen van de richtlijn.
Deze keuze laat zien dat het recht zelf de ruimte biedt om de impasse te doorbreken, mits het in zijn volle breedte wordt toegepast.
Groen gas: de consequentie van dezelfde redenering
Wanneer deze redenering consequent wordt doorgetrokken, komt de positie van groen gas onvermijdelijk in beeld. Groen gasprojecten kennen een vergelijkbare, maar in feite sterkere systematiek dan energie-infrastructuur. Ook hier is sprake van tijdelijke emissies in de aanlegfase, maar in de gebruiksfase treedt een substantiƫle en structurele reductie op.
In de praktijk kan deze reductie oplopen tot 90 tot 95 procent, doordat ammoniakemissies uit meststromen worden afgevangen en fossiele energie wordt vervangen. Daarmee dragen deze projecten rechtstreeks bij aan de verplichting van artikel 6, lid 2, om verslechtering te voorkomen en reductie te realiseren.
Het verschil met energie-infrastructuur is dat groen gas niet slechts faciliterend is, maar direct reducerend. Waar infrastructuur verduurzaming mogelijk maakt, realiseert groen gas die verduurzaming zelf.
En toch worden deze projecten in de praktijk beoordeeld binnen het strikte kader van artikel 6, derde lid, waarbij uitsluitend wordt gekeken naar de tijdelijke emissies. De structurele reductie blijft buiten beschouwing. Daarmee wordt een project dat bijdraagt aan de oplossing juridisch behandeld alsof het een probleem veroorzaakt.
De onhoudbare uitkomst
Hier ontstaat een spanning die niet langer kan worden verklaard vanuit het recht zelf, maar alleen vanuit de wijze waarop dat recht wordt toegepast. Voor energie-infrastructuur wordt erkend dat een bredere afweging noodzakelijk is en wordt de ADC-route ingezet. Voor groen gas, dat feitelijk een sterker reductie-effect heeft, blijft diezelfde afweging achterwege. Het gevolg is een systeem waarin de juridische vorm zwaarder weegt dan de feitelijke uitkomst. Projecten worden niet beoordeeld op hun bijdrage aan de oplossing, maar op de vraag of zij binnen een beperkt toetsingskader passen.
Dat leidt tot een uitkomst die moeilijk anders kan worden gekwalificeerd dan als juridisch inconsistent. Een project dat leidt tot een reductie van 90 tot 95 procent wordt geblokkeerd vanwege tijdelijke emissies, terwijl projecten met een indirect effect wel via een uitzonderingsroute worden toegestaan.
De conclusie: een systeem dat zijn doel voorbijschiet
Wanneer artikel 6 van de Habitatrichtlijn in samenhang wordt gelezen, ontstaat een helder en coherent kader. Lid 2 verplicht tot bescherming en reductie op systeemniveau, lid 3 regelt de beoordeling van individuele projecten en lid 4 biedt ruimte voor noodzakelijke afwijkingen in het algemeen belang. De huidige praktijk verbreekt deze samenhang. Zij verabsoluteert de projecttoets van lid 3, marginaliseert de systeemverplichting van lid 2 en behandelt de correctieroute van lid 4 als uitzondering, terwijl die in systeemcontext juist essentieel is.
Daarmee ontstaat een juridisch kader dat niet langer bijdraagt aan de oplossing van het probleem, maar dat probleem in stand houdt. Het stikstofdossier loopt niet vast door een gebrek aan oplossingen, maar door een gebrek aan coherente toepassing van het recht.
Zolang Nederland een systeemprobleem blijft behandelen als een verzameling individuele projecten, zal het recht niet functioneren als instrument van oplossing, maar als mechanisme van stagnatie. En zolang projecten die aantoonbaar bijdragen aan structurele reductie worden beoordeeld alsof zij uitsluitend belasting veroorzaken, blijft niet de stikstof het probleem, maar de manier waarop zij juridisch wordt benaderd.
Tekst: Adam Bakker, jurist, Statenlid Overijssel Vooruit
Beeld: Susan Rexwinkel
